De mijne biedt plaats aan acht of negen gasten, niet meer. Wordt een gezelschap te groot dan valt het uiteen, en maar al te vaak zit jij er tussenin. Dat wil je niet. Geen groepjes, maar een gesprek dat centraal is. Geen ‘hoe gaat het met je?’, of iets over een volle agenda. Niet bijpraten en ook geen geklets over werk. Doe mij maar een uitwisseling, of een onverwachte bekentenis, een verwondering of een plan, iets om de mouwen bij op te stropen.
Door Yolanda Entius
Hij staat onder een moerbei of kastanje. Geen schaduw zo koel als die van een boom, geen zonlicht zo zacht als door het blad van de moerbei. Robijnrode wijn, goudgele piepers, veldgroene sla, het violet van een vinca.
En hij heeft geschiedenis, wat je noemt doorleefd. Daar schoot een mes uit, daar groef een rups zich in, daar gleed een veel te hete braadpan uit mijn handen, daar werd te hard geschrobd, hij kan ook wel een likje boenwas gebruiken.

Hij is dus van hout: werkend hout, vet hout, gehavend hout, geblakerd, met daar waar ooit een schroef zat een gaatje, een beetje geroest. En daar ging iets mis.
Want die in P ís wel van hout, eiken planken zelfs – nog uit het pand dat we kraakten op de kop van de Zeedijk, een hoerenkast – maar die gaan schuil onder een zeiltje. Bij nacht en ontij staat hij buiten. Ook als het regent. En hout, ja, dat is zo weg.
Dat zeil beschermt hem. En het werkt. Niet stuk te krijgen. Het zeil verbleekt, droogt uit, verschimmelt, smelt – weer zo’n gloeiendhete pan – het werd opgelapt met tape, vervangen door een ander, dat weer scheurde, verkruimelde, kromp in de zon. En al die tijd bleef het hout vrijwel ongedeerd. Vijfentwintig jaar verleden verborgen onder plastic. We zijn weer toe aan iets nieuws.
Niet geel dit keer en ook geen verblindend wit, maar ook geen rood, roze of blauw – het moet niet schreeuwen – en zelfs geen groen, dat concurreert met het gras, de planten en het loof van de moerbei.
En eigenlijk wil ik hout. Hem inpakken dan maar, in bootlak of keiharde epoxy?

Tussen P en Zoetermeer
Een mozaïek van hout met een karrenvracht aan verhalen en een keur aan kleur. Dat groene latje daar nam Alcuin mee uit ons huis in P. Hij schrijft: ‘Op de houtstapel vind ik een stukje hout met de groene kleur, die gebruikt is voor de luiken en kozijnen. Ik besluit het niet in de kachel te gooien, maar mee te nemen als voorbeeld. De kleur komt vrijwel overeen met de kleur die Jacqueline mengde voor een oud kastje uit de schuur van mijn vader.’
Wat hij meenam is de proeflat met óns resultaat van mengen, van roeren met een houtje, net zo lang tot we tevreden waren: groen, neigend naar grijs, de kleur van een bergmeer. Een kleur voor de luiken én een kleur voor de kozijnen. Twee kleuren. De ene wat donkerder dan de andere. Geen mens die het ziet, wij ook niet meer.

Yolanda Entius is schrijver.
In haar laatste boek, ‘Om en nabij’, beschrijft ze haar Franse huis en tuin in P (Frankrijk). Ze onderzoekt daarin o.a. de vraag waarom ze zich zo thuis voelt op de grenzen tussen binnen en buiten, natuur en cultuur, het eigene en het andere.

